Aansprakelijkheid bij BDSM spel?

(Deze blog werd 21-7-2015 gepubliceerd op krachtblog.wordpress.com onder de titel ‘BDSM en het kelderluik’)

Dankzij 'Fifty shades of Grey' is sadomasochisme ('BDSM') weer helemaal salonfähig, en wijden ook de kwaliteitskranten er artikelen aan. Zo stond in het NRC van zaterdag 18 juli jl. een gezellig stukje onder de kop De verleiding van SM. Aangezien het vakantie is (of weldra wordt) valt te verwachten dat binnenkort heel Nederland elkaar met roze handboeien en paardrijzweepjes in de slaapkamer staat op te wachten. Bij wijze van vakantie-advies in deze blog nog wat gedachten over de juridische aspecten van BDSM.

Ik heb 'Fifty shades' niet gelezen, maar wel de film gezien (dat was geen pretje vanwege het waardeloze script - maar dat is een andere kwestie). Ik was tamelijk verbluft door het onhandige gedrag van hoofdpersoon Christian Grey jegens het onschuldige meisje Anastassia Steele ('Ana'). "Daar komen ongelukken van," was mijn voornaamste gedachte. Christian Grey is dan ook "een belabberde 'dominant'," volgens de filmrecensie in het NRC. Want: "Hij communiceert slecht met Ana (…)"

Aan het einde van de film (en naar ik begrijp, ook van het boek) loopt Ana daarom boos weg. Maar stel dat ze vindt dat ze schade heeft geleden door zijn onvoorzichtige en gewelddadige gedrag, wat zou ze dan kunnen doen?

Als we het strafrecht maar even vergeten (ik ben immers een civilist en geen strafrecht-advocaat) dan is de kwestie of Ana een vordering uit onrechtmatige daad tegen Christian kan instellen. Wanneer het om aansprakelijkheidsrecht gaat, is de toepasselijke norm (dus de norm die al dan niet geschonden is) van belang. En wat zou die norm zijn als het om BDSM gaat? Kun je stellen dat er een norm is dat 'toestemming geven voor bdsm-spel impliceert dat je het risico op schade aanvaardt'?

Er is bij mijn weten (nog) geen Nederlandse jurisprudentie op dit gebied, maar ik denk dat er een vergelijking valt te maken met de jurisprudentie van de Hoge Raad voor de aansprakelijkheid bij meer gebruikelijke 'sport en spel' zoals voetbal.

De Hoge Raad heeft in een reeks arresten geoordeeld "dat de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten." (HR 28 maart 2003, LJN AF2679 en vgl. HR 28 juni 1991, 14235, NJ 1992, 622).

Met andere woorden, wanneer in een spelsituatie de spelregels zijn overtreden betekent dat niet automatisch dat de overtreder onrechtmatig heeft gehandeld. Dat Ana pijn heeft en teleurgesteld is, is vervelend voor haar, maar dat risico ligt besloten in het BDSM 'spel'. Wel is er misschien nog de vraag of er sprake is van 'informed consent', aangezien Christian immers beroerd communiceert. Speelden Christian en Ana wel hetzelfde spel, of hadden ze allebei iets anders in gedachten?

De volgende vraag is: wat zijn dan de (spel)regels voor BDSM? Heeft Christian zich gedragen zoals van een BDSM-deelnemer kan of mag worden verwacht? Om hier enig inzicht in te krijgen, kan misschien houvast worden ontleend aan een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het 'EHRM') inzake 'de SM-rechter'.

In dat arrest handelde het om de vraag of de Belgische justitie een BDSM-deelnemer strafrechtelijk mocht vervolgen èn veroordelen, omdat hij zijn eigen vrouw (met haar toestemming) tamelijk serieus had geslagen (EHRM 17 februari 2005, EHRC 2005, 38 (K.A. en A.D. t. België). Uiteraard draaide het daar om (Belgisch) strafrecht, maar in het arrest lijkt het EHRM een norm te formuleren, die ook in civielrechtelijke zin wel eens dezelfde zou kunnen zijn. 'Wat in de gemeenschap als zorgvuldig handelen wordt aanvaard' is de standaard waartegen het normschendende gedrag behoort te worden gemeten. En dan blijkt bijvoorbeeld dat BDSM met alcohol of drugs, of het negeren van stopwoorden, aan de gegeven toestemming de werking kan ontnemen. Ongeveer zoals een onvoorzichtige sliding op het voetbalveld een medespeler invalide kan maken zonder dat er sprake is van een onrechtmatige daad, maar dat natrappen op weg naar de kleedkamer een 'gewone' onrechtmatige daad is.

'Regels' waar een BDSM-deelnemer houvast aan kan ontlenen, zijn waarschijnlijk ook de befaamde 'Kelderluik-criteria' zoals die al in 1962 door de Hoge Raad zijn verwoord. Aanleiding voor dat arrest was een kelderluik dat een medewerker van Coca-Cola  (met de in dit verband geweldige naam 'Sjouwerman') bij het afleveren van frisdrank aan een café open had laten staan. Een bezoeker van dat café viel de kelder in en liep daarbij ernstige verwondingen op. Aangezien het op zich duidelijk is dat Sjouwerman de kratten Cola mocht afleveren, was de vraag waar hij rekening mee had moeten houden toen hij een gevaarlijke situatie schiep door het kelderluik open te zetten.

De Hoge Raad legde vier criteria aan voor gevaarzetting (kort samengevat, met dank aan Wikipedia):

  • Hoe waarschijnlijk kan de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid worden geacht?

  • Hoe groot is de kans dat daaruit ongevallen ontstaan?

  • Hoe ernstig kunnen de gevolgen zijn?

  • Hoe bezwaarlijk zijn de te nemen veiligheidsmaatregelen?

Waar het bij de aansprakelijkheid voor BDSM-gerelateerde ongelukken op aankomt, kunnen de deelnemers waarschijnlijk het beste een combinatie in gedachten houden van de regels voor 'sport en spel' en de 'kelderluik-criteria'. Kort en goed: aan de handelende kant (de kant van de 'dominant') moeten redelijke veiligheidsmaatregelen worden getroffen; en van de passieve kant (de kant van de 'onderdanige') moet rekening worden gehouden met 'verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt'.

Ach, hadden Ana en Christian dit maar geweten. In plaats van tranen achteraf, hadden ze dan gewoon gezellig, veilig en met wederzijds goedvinden met elkaar kunnen knutselen.

Deze blog wenst iedereen een fijne vakantie!

(vanaf eind augustus wordt er weer verder geblogd)

De geïnteresseerde lezer kan ook het Laskey-arrest van het EHRM bestuderen. 

No cure no pay - maar niet heus!

Het is een heel gebruikelijke afspraak: no cure, no pay. Partijen spreken een beloning af die betaald moet worden na het bereiken van een bepaald resultaat. Maar wat gebeurt er wanneer de afspraak wordt opgezegd voordat het beoogde resultaat is bereikt?

'No cure, no pay'-afspraken zijn niet zeldzaam. Meestal gaat het dan om het behalen van een bepaald onzeker resultaat, waarbij de beloning bestaat uit een percentage. Denk bijvoorbeeld aan een makelaar die voor de eigenaar een huis zal verkopen, of aan een headhunter die in opdracht van een bedrijf op zoek gaat naar een geschikt iemand voor een bepaalde vacature. Als het huis is verkocht, c.q. als iemand is voorgedragen die de vacature heeft gekregen, krijgt de bemiddelaar een percentage van de verkoopprijs, c.q. van een jaarloon.

Het lijkt dat het risico bij dit soort afspraken volledig gedragen wordt door de bemiddelaar (de opdrachtnemer). Als het huis na een jaar nog niet verkocht is of er is geen geschikt iemand voor de baan gevonden, is de bemiddelaar wel aan het werk geweest, maar het beoogde resultaat is niet behaald. Wat gebeurt er dan als de opdrachtgever van de opdracht af wil?

Overeenkomsten moeten worden nagekomen, dat weet iedereen. In mooi potjeslatijn: pacta sunt servanda. Zolang de overeenkomst in stand blijft, blijven ook de verplichtingen in stand. Maar elke overeenkomst kan worden opgezegd. In het geval van een opdracht is dat zelfs een wettelijk recht dat de opdrachtgever heeft op grond van artikel 7:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek ('BW').

Bij het opzeggen van een no cure, no pay-opdracht, betekent dat echter niet dat de opdrachtnemer geen recht meer heeft op een vergoeding. Art. 7:411 BW bepaalt dat recht kan bestaan op 'een redelijk loon', of zelfs op het 'volle loon', als de beloning afhankelijk was van de volbrenging of van het verstrijken van een bepaalde tijd. Het is een merkwaardige situatie, en er wordt dan ook vaak over geprocedeerd.

In een arrest van 23 mei 2003 heeft de Hoge Raad beslist dat artikel 7:411 BW ook geldt in geval van bemiddeling. Bij voortijdige beëindiging van een opdracht heeft de makelaar/headhunter/opdrachtnemer dus in beginsel recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij het bepalen van de omvang van het deel van het loon waarop aanspraak kan worden gemaakt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

Wat voor soort bedragen worden er zoal toegewezen? Hierbij wat voorbeelden uit de rechtspraktijk. Een makelaar uit Rotterdam die bemiddelde bij de verkoop van panden ter waarde van ongeveer 10 miljoen euro, kreeg van de rechtbank 50.000,- euro toegewezen (ter vergelijking: als hij het overeengekomen percentage had ontvangen, was dit ongeveer 125.000,- euro geweest). Een hypotheekbemiddelaar in Groningen kreeg van de rechtbank 345 Euro toegewezen (hij had het drievoudige gevorderd). Een headhunter in Utrecht, die tevergeefs twee kandidaten had voorgedragen bij de Rabo-bank, kreeg van de rechtbank ongeveer 7000,- euro toegewezen (hij had ongeveer 30.000,- euro gevorderd).

Conclusie: bezint eer ge begint! Een 'no cure, no pay'-afspraak kan bij voortijdige opzegging leiden tot een plicht voor de opdrachtgever om alsnog een redelijk loon te betalen. Maar uit het (zeer beperkte) steekproefje hierboven, blijkt dat rechters in de praktijk de betalingsvorderingen flink matigen.

Waarom faalt ICT bij de overheid? deel 2

De herfst nadert en op sommige dagen is het zelfs al een beetje koeler. De aandelenkoersen zijn weer eens gedaald (maar komen er wel weer bovenop) en Zwarte Piet is nog steeds niet onomstreden. Het belangrijkste is dat we de zomer hebben overleefd, al is het gevaar van een dreigend biertekort nog niet geweken. Hoe zou het gaan met de ICT-projecten bij de overheid?

De zomer bracht een stapel boeken naar mijn bureau, waarvan het interessantste ongetwijfeld Ed Finn’s What Algorithms Want was. Een wonderlijk erudiete visie op de kracht van het algoritme als culturele boodschapper: enerzijds is het algoritme niets anders dan ‘een methode om een probleem op te lossen’, maar anderzijds volgt het een visie op hoe de wereld in elkaar zit.

Finn geeft als voorbeeld de interface van Netflix. Bij Netflix wordt de kijker ook andere series aangeraden (‘je keek naar…, waarschijnlijk vind je dit dan ook leuk…’), maar dat is geen louter mechanische kwestie: achter de schermen zijn menselijke ‘curatoren’ voortdurend bezig om de aanbevelingen te verbeteren. Netflix geeft de kijker de indruk  dat z/hij gezien is als mens, zonder het onprettig persoonlijk te maken. Het Netflix-algoritme is een manipulatieve tool, die pretendeert volledig mechanisch te zijn; met als opzet dat de kijker loyaal zal worden aan de interface. Netflix heeft een visie op manieren om de kijker te manipuleren – een dwingende visie die de kijker verandert in een abonnee.

Er is een interessante parallel tussen Finn’s betoog en een heel wat minder verheven boek van Carolien Lucy Schönfeld ‘Hoe IT-projecten slagen en falen‘. Schönfeld’s boek geeft praktijkvoorbeelden en roept meer dan eens de geest op van het eindrapport van de Commissie Elias. De parallel bestaat daaruit, dat de werkende mens in een mal wordt gedrongen door de implementatie van IT-projecten, en die dwang is lang niet altijd vriendelijk of zelfs maar goedbedoeld – en hij is ook nogal eens onwelkom, met alle problemen vandien. Het lijkt erop – al zegt Schönfeld dat niet met zoveel woorden – dat bij stroeve IT-projecten al in een heel vroeg stadium besloten is om in te grijpen in het leven van mensen zonder dat herkend is dat dit ingrijpen in feite die mensen wil veranderen.

Mijn literatuur-onderzoek van de zomer werd ingegeven door wéér een spectaculaire IT-mislukking, die bij de Raad voor de Rechtsspraak door het project KEI (‘Kwaliteit en Innovatie’). Het project is inmiddels hernoemd, maar het geld is weg en met de digitalisering schiet het nog niet zo erg op. De vraag waar ik een antwoord op zocht, was: hoe is het mogelijk dat een project mislukt waarbij zoveel verstandige mensen betrokken zijn? De vele meningen die ik tegenkwam, wezen toch allemaal min of meer in dezelfde richting (voor zover meningen kunnen wijzen), zodat ik vooralsnog tot de volgende hypothese ben gekomen.

Het slagen of mislukken van IT-projecten kan niet voornamelijk een kwestie van tekortschietende techniek zijn. Dat is ongetwijfeld vaak óók het geval, omdat IT-leveranciers er belang bij hebben om hun eigen capaciteiten te overschatten, maar een belangrijkere reden is waarschijnlijk: een overdaad aan ambitie bij de opdrachtgever, gepaard aan onvoldoende visie op nut en noodzaak van de digitalisering zèlf. Het lijkt erop dat als de opdrachtgever (degene met beslismacht) zelf niet het programma hoeft te gebruiken – en daar ook geen commercieel belang bij heeft – het niet ongebruikelijk is om in een vroeg stadium (te) veel ambities te formuleren die te weinig gebaseerd zijn op een visie op de manier waarop de eindgebruiker moet veranderen. De Overheid is simpelweg niet egocentrisch en manipulatief genoeg, zelfs wanneer ze niet goedwillend is.

Als mijn hypothese klopt, dan zou dat verklaren waarom de overheid projecten optuigt die wel getuigen van flinke ambitie, maar die desondanks onvoldoende dwingend zijn en dus telkens verder uitdijen. Het verklaart ook waarom projecten mislukken, hoewel – of juist: omdat – er veel mensen bij betrokken zijn. Wat er vermoedelijk nodig is om meer projecten te laten slagen, is vooral een beter inzicht in nut en noodzaak van het überhaupt optuigen van een IT-project.

Ik kom er op terug. Ondertussen zijn op- en aanmerkingen van harte welkom.

(Vragen? Mail: blog[at]kracht-advocatuur.com)

Damn good Perignon!

Kunstenaars halen traditiegetrouw hun inspiratie uit de fles. In het geval van de Belgische kunstenaar Cedric Peers betreft het de flessen  van het champagnemerk ‘Dom Pérignon‘: Peers maakt schilderijen waarop die flessen in een (volgens de rechtbank: ‘suggestieve en zelf licht erotische’) context worden geplaatst. De merkhouder is niet blij.

De verhouding tussen kunstenaars en bekende merken blijft stekelig. Tegenover de wereldberoemde ‘Campbell soup’-schilderijen van Andy Warhol staan talloze rechtszaken tussen kunstenaars en merkhouders. Over het algemeen houden fabrikanten er niet van als hun merk of product in verband wordt gebracht met iets, wat dan ook, dat controverse teweeg kan brengen. Beroemd is de zaak rond de film Alicia uit 1974, waarin een vrouw masturbeert met een Coca Cola-flesje. Oorlog of seks, voor merkhouders is het allemaal even ongewenst. Ook ‘Alicia’ kreeg een rechtszaak aan de broek, met de bijbehorende publiciteit, dus het zal de film geen kwaad gedaan hebben.

Vers in het geheugen staat de zaak tussen kunstenaar Nadia Plesner en tassenfabrikant Louis Vuitton. Plesner maakte een schilderij genaamd ‘Darfurnica’, waarop een naakt zwart jongetje op zijn ene arm een roze chihuahua houdt en aan zijn andere arm een Louis Vuitton-tas draagt. Plesner wilde commentaar geven op de verhouding tussen de berichtgeving over ‘glamour’ en wereldproblemen. Later gebruikte ze de afbeelding ook op tassen. Het enige dat de juristen bij Louis Vuitton zagen, was dat het model van hun tas in verband werd gebracht met wereldleed; zij meenden dat dit de reputatie van Louis Vuitton kon aantasten en poogden Plesner via de rechter het gebruik van (afbeeldingen van) de tas te verbieden.

Enfin, de rechtsontwikkeling gaat op dit gebied niet hard, zie de huidige zaak tegen Cedric Peers dus. Juridisch gezien zit het ongeveer als volgt: tegenover het grondrecht van Dom Pérignon tot ongestoord genot van haar exclusieve rechten op het gebruik van het merk staat naar vaste jurisprudentie van het Europeees Hof voor de Rechten van de Mens (‘EHRM’) het belangrijke grondrecht van een kunstenaar om haar of zijn mening te uiten via de kunst. Hierbij geldt dat de kunstenaars een aanzienlijke bescherming genieten ten aanzien van hun artistieke vrijheid, waarbij kunst in beginsel “may offend, shock or disturb” (vgl. EHRM 25 januari 2007, RvdW 2007, 452, Vereinigung Bildender Künstler tegen Oostenrijk, r.o. 26 en 33).

In de Darfurnica-zaak oordeelde de rechter dat het van belang was dat het gebruik door Plesner was aan te merken als “functioneel en proportioneel” en dat het niet een louter commercieel doel diende. Plesner was er niet op uit om in commerciële zin mee te liften op de bekendheid van Louis Vuitton, maar gebruikte de bekendheid van Louis Vuitton om haar maatschappijkritische boodschap over te brengen. Naast de tas gebruikte ze ook een ander luxe/showbusiness-beeld in de vorm van een in roze gestoken chihuahua. Ze suggereerde niet dat Louis Vuitton betrokken zou zijn bij de problemen in Dafur. De rechter stelde dat Louis Vuitton een zeer bekende onderneming is waarvan sommige producten een aanzienlijke bekendheid genieten, die zij ook zelf via advertenties en affichering met beroemdheden aanwakkert. Dat bracht met zich mee dat Louis Vuitton zich in sterkere mate dan andere rechthebbenden kritisch gebruik moest laten weggevallen (vgl. oa. EHRM 15 februari 2005, NJ 2006, 39, Steel en Morris tegen VK, r.o. 94).

Bijna alles wat gold in de Darfurnica-zaak is vergelijkbaar met wat er geldt in de zaak tussen Dom Pérignon en Cedric Peers, zo verkoopt Peers niet alleen zijn kunstwerken maar verkoopt hij ook kleding met daarop afbeeldingen van die werken. Het belangrijkste verschil is dat het Peers juist om gaat om het afbeelden van een wereld van glamour en luxe en niet om kritiek. Waar Plesner de Vuitton-tassen gebruikte als symbool voor Westerse onverschilligheid, gebruikt Peers de Dom Pérignon-flessen en -labels juist om de ‘glamourwaarde’ die ze hebben gekregen door de marketing-inspanningen van de merkhouder. Met name bij de kleding is het mogelijk dat de afbeelding van de Dom Pérignon-flessen (en zelfs de Dom Pérignon-naam) bij het publiek de indruk kan wekken dat er ten minste een verband bestaat tussen de kleding en de merkhouder. De vraag ligt daarmee voor of Peers  merkinbreuk pleegt en/of dat zijn gebruik leidt tot ‘verwatering’ van het merk; of dat hij aanspraak kan maken op zijn uitingsvrijheid als kunstenaar?

Wat de kleding betreft, oordeelt de Belgische rechtbank dat er inderdaad sprake is van merkinbreuk. Maar bij de schilderijen komt ze er niet uit: heeft Peers daarvoor ‘een geldige reden’ die zijn gebruik rechtvaardigen kan? Onder verwijzing naar de Nederlandse uitspraak in ‘Darfurnica’, besluit de rechtbank in Brussel vragen te stellen aan het Benelux Gerechtshof over de criteria die moeten worden gehanteerd:

“Kan de vrijheid van meningsuiting, en de artistieke vrijheid in het bijzonder, zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 11 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, een “geldige reden” uitmaken in de zin van artikel 2.20.1.d) van het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom?

In voorkomend geval, welke zijn de criteria die de nationale rechter in aanmerking moet nemen ter beoordeling van het evenwicht tussen die grondrechten, en het belang dat aan elk van die criteria moet worden gehecht?”

Wordt vervolgd!

(Lees het vonnis HIER. Voor de blog over Darfurnica, klik HIER of zie deze video. Vragen of opmerkingen? Stuur een email naar blog[at]kracht-advocatuur.com)

Mislukte ICT-projecten, tijd voor actie

Er gaat wel eens een dag voorbij dat er géén melding wordt gemaakt van weer een mislukt ICT project. Miljoenen Euro’s worden uitgegeven aan digitale infrastructuur zonder dat daar een noemenswaardige verbetering tegenover staat. Tijd om in actie te komen.

De zoekterm ‘mislukte ICT projecten’ levert meer dan 25.000 hits op in Google. Vaak gaat het om overheidsprojecten, omdat die (semi-) openbaar zijn. Bovendien gaat het bij de overheid meteen om honderden miljoenen Euros en dat spreekt tot de verbeelding.

Een recent voorbeeld is de digitalisering van de rechtspraak. Het probleem, reeds vele jaren geleden vastgesteld, leek eruit te bestaan dat het niet mogelijk was om via email met de rechtbanken te communiceren. Een advocaat die snel een stuk bij de griffie wilde krijgen, was aangewezen op de fax (de fax!). Kort samengevat: het eenvoudige probleem zou worden opgelost door het gehele procesrecht te veranderen, zodat (vrijwel) iedere processuele handeling voortaan digitaal zou gaan geschieden.

Er waren hoge verwachtingen en er was wat twijfel. Iedereen pleegde overleg met iedereen, alle betrokkenen ‘in het veld’ werden erbij betrokken. Nieuwe wetten werden door Tweede en Eerste Kamer geloodst. Kort samengevat: deze week kwam het bericht dat de Raad voor de Rechtspraak vooralsnog geen mogelijkheid ziet om het digitale procederen werkelijk in te voeren. Kosten rond de Eur. 200.000.000 (zegge: twee honderd miljoen Euro). Bijverschijnsel is dat sommige rechtbanken de fax al hebben weggegooid maar dat emailen nog steeds niet kan, zodat er nu – net als honderd jaar geleden – uitsluitend per post met zo’n rechtbank kan worden gecommuniceerd.

Het meest verbazingwekkend is dat dit niemand zal verbazen. Het is een feit van algemene bekendheid dat ICT-projecten regelmatig mislukken, zie de 25.000 Google-hits. De overheid levert spectaculaire voorbeelden, maar in het bedrijfsleven gaat het al even regelmatig fout. Uit eigen kring ken ik talloze voorbeelden. Digitalisering is een krachtig symbool voor de menselijke drang om telkens nieuwe dingen te scheppen en te bouwen in de hoop het bestaan te verbeteren. Maar digitalisering gaat ook gepaard met alle wanhoop, verbijstering, hoogmoed en angst die dat bestaan kenmerken.

Dat het zo vaak misgaat, is een kostbaar probleem en ik heb besloten me dat aan te trekken. Ik ga de focus van mijn kantoor verleggen van IE-inbreuk naar begeleiding van ICT-projecten. Meer specifiek gaat mijn kantoor bedrijven helpen bij digitalisering en om dat op zo’n manier te doen dat ze niet door ICT-leveranciers in problemen worden gebracht. En mochten er bedrijven zijn die al hopeloos in gevecht zijn met een ICT-ontwikkelaar, dan zal mijn kantoor ze daar graag bij bijstaan.

Dat alles en iedereen moet worden gedigitaliseerd, is een geheimzinnige ontwikkeling. “Don’t fix what ain’t broke” zeggen de Amerikanen, maar die waarheid is verouderd. Op zich is er niets tegen op vooruitgang, maar de kans op daadwerkelijke verbetering neemt exponentieel toe als er vantevoren duidelijk wordt bepaald waar die verbetering uit zal gaan bestaan èn hoe die verbetering zal worden bewerkstelligd. Niks ‘beter ten halve gekeerd’, maar ‘beter ten hele geslaagd’!

Het wordt een lange, hete zomer.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos[at]kracht-advocatuur.com)

Vervolg: De Bovenlanden, Amstelveen

Ik heb een zwak voor architectuur, maar ik benijd architecten hun beroep niet. Zo wijdde ik in een eerdere blog wat alinea's aan het trieste lot van gebouw 'De Bovenlanden' in Amstelveen. Na jaren leegstand besloot de eigenaar het kantoorgebouw 'te transformeren' tot woningen, waarbij alle architectonisch karakteristieke elementen zouden verdwijnen. De oorspronkelijke ontwerper van de gevels verzette zich tegen de veranderingen met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten. Na de eerste ongelukkige uitspraak, nu het vervolg.

De Bovenlanden werd ontworpen als hoofdkantoor van KPMG, maar stond na het vertrek van de accountants leeg. Van paradepaardje van de 'organische architectuur' in Nederland, verwerd het tot een symbool van overbodige bedrijfsruimte. Was het al te karakteristiek, was het onpraktisch? Feit is dat de eigenaar, CRI, bij zijn streven om er woningen van te maken, meende dat de gevel geheel moest veranderen en alleen het casco bleef staan.

De architect van de karakteristieke gevels verzette zich bij de voorzieningenrechter, men leze DEZE BLOG. Het verzet leverde in eerste aanleg niets op, waarop een beroep volgde (bij het Hof Amsterdam, hersteld arrest op 21 maart 2017).  Maar - spoiler alert! - ook het hof kwam de architect niet tegemoet.

Ter opfrissing van het geheugen: bij het verbouwen of slopen van een gebouw, geldt dat de ontwerper zich kan verzetten tegen een wijziging die zijn ontwerp aantast, maar een 'totale vernietiging' (lees: sloop) is niet tegen te houden.

In deze zaak was dus de vraag of er sprake was van aantasting of vernietiging. De architect stelde dat het voor zijn ontwerp zo kenmerkende raampatroon in de verbouwplannen zou worden gehandhaafd. Zodoende zou er dus geen sprake zijn van totale vernietiging. Maar het hof oordeelde (r.o. 3.4.3):

"Ook indien het raampatroon als een kenmerkend stijlelement moet worden beschouwd, betekent dit niet ... dat dit raampatroon als zelfstandig werk voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Nu voorshands niet van een auteursrechtelijk beschermd raampatroon kan worden gesproken, komt [de architect] te dien aanzien dus ook geen beroep toe op schending van zijn persoonlijkheidsrechten."

De architect heeft het ook nog over de boeg van onrechtmatig handelen geprobeerd. Hij stelde dat de eigenaar misbruik maakte van recht (in de zin van art. 3:13 lid 2 BW)  door het gebouw onherkenbaar te willen transformeren in plaats van De Bovenlanden met behoud van de karakteristieke gevels opnieuw in te richten. Het is inventief geprobeerd. Ik citeer opnieuw het hof (r.o. 3.6.1):

"Aangezien [de architect] zich beroept op artikel 3:13 lid 2 BW (misbruik van bevoegdheid) dient hij binnen het kader van dit kort geding aannemelijk te maken dat vernietiging zijn belangen dusdanig onevenredig zwaar schaadt dat dit misbruik van bevoegdheid door CRI oplevert. Nog daargelaten hetgeen hiervoor onder grief 2 is overwogen, heeft [de architect] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de voorziene sloop en restyling van De Bovenlanden zijn belangen onevenredig schaadt; zoals hiervoor onder 3.5.2 werd overwogen is zelfs niet aannemelijk dat dit leidt tot het verkleinen van zijn kans op opdrachten. De enkele omstandigheid dat in het buitenland de sloop wellicht wordt gezien als oneervol is niet voldoende voor de aannemelijkheid van onevenredig zwaar nadeel. CRI heeft immers overtuigend en onderbouwd aangevoerd en ter zitting toegelicht dat zij na zes jaar leegstand, waarbij aanzienlijk verlies is geleden, nu groot belang heeft bij sloop. Dat CRI door over te gaan tot vernietiging misbruik van bevoegdheid maakt is derhalve niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van [de architect] dat hij heeft aangeboden het gebouw aan te passen en geschikt te maken voor bewoning werpt geen ander licht op de zaak, nu niet aannemelijk is dat een aldus aangepast gebouw door CRI te verhuren zou zijn zoals zij thans met haar (eigen) bouwplannen beoogt. De grief faalt."

Een interessante stelling van de architect is nog, "dat de totaalindruk van het nieuwe ontwerp onder omstandigheden kan worden geassocieerd met de oorspronkelijke architect zonder dat voor hem kenmerkende stijlelementen behouden zijn gebleven..."

Deze stelling lijkt te zijn ontleend aan het merkenrecht, waar 'associatie' van het ene merk met het andere merk een criterium is. Gedoeld wordt dan op de mogelijkheid dat de consument in verwarring wordt gebracht over wie nu eigenlijk verantwoordelijk is voor het product in kwestie. Maar ook daar haalt het hof zijn schouders over op:

"Als [de architect] heeft willen betogen dat de mogelijkheid van associatie van de totaalindruk van het nieuwe ontwerp met hem als oorspronkelijke architect van het oude ontwerp reeds een aantasting van zijn persoonlijkheidsrechten oplevert wordt dat betoog, als zonder grond in de Auteurswet, verworpen. Indien de mogelijkheid van associatie het criterium is, zou dit betekenen dat - naar CRI terecht aanvoert - transformatie van De Bovenlanden in het geheel niet mogelijk is."

Adieu, Bovenlanden!

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos@kracht-advocatuur.com)

Auteursrecht op verbouwing en creatieve administratie

Bouwen en verbouwen, het blijft een rijke bron voor rechtspraak. In deze blog een bespreking van een vonnis naar aanleiding van de verbouwing van een boerderij. Het vonnis laat zich lezen als een handboek voor sjoemelaars.

Het vonnis van de Rechtbank Gelderland is al uit 2015 maar pas onlangs gepubliceerd. De kwestie betreft een boerderij met bijgebouwen in slechte staat. De nieuwe eigenaar wil er een mode-atelier in vestigen en heeft een architectenbureau ingeschakeld om de noodzakelijke tekeningen te maken en de verbouwing te begeleiden. Dat architectenbureau bestaat - zo laat het vonnis zich tenminste lezen - uit één architect die handelt vanuit twee of drie vennootschappen, waarvan er eentje inmiddels failliet is*.

Er is een overeenkomst waarin de rechten en plichten over en weer zijn vastgelegd. Onder meer is bepaald dat de architect via zijn vennootschap ('betrokken partij') recht heeft op een vergoeding van 10% van de uiteindelijke bouwsom (in het algemeen al het soort regeling dat een aanmoediging is om de bouwkosten gierend uit de hand te laten lopen, en dat blijkt ook hier weer. Men leze door!) Halverwege de verbouwing ontstaat er ruzie over het al dan niet betalen van bepaalde rekeningen, en de architect beëindigt de samenwerking. Vervolgens wordt de bouw alsnog door de opdrachtgever afgemaakt naar tekeningen van de architect.

Het conflict dat volgt, laat zich raden: de architect beroept zich op zijn auteursrechten voor het ontwerp voor het bijgebouw en eist een vergoeding op grond van inbreuk. Maar zo simpel blijkt het allemaal niet te liggen. Het vonnis is geanonimiseerd en daardoor wat lastig leesbaar, maar het blijkt dat de architect een spookhuis aan vennootschappen heeft opgetrokken, en dat hij handelde als bestuurder van telkens andere vennootschappen, waaronder de failliette 'betrokken partij'.

Het lijkt aanvankelijk een geslaagde wedstrijd voor de opdrachtgever. Voor de verbouwing en de nieuwbouw maakte de architect tekeningen die in rekening werden gebracht bij de opdrachtgever. Maar de architect liet bepaalde aannemers óók voor die tekeningen betalen; dat brachten die aannemers dan óók weer in rekening bij de opdrachtgever. Over de op die manier opgehoogde verbouwingskosten moest de opdrachtgever vervolgens weer 10% commissie betalen aan weer een andere vennootschap van de architect (de al eerder genoemde failliete 'betrokken partij'). Dat is onrechtmatig, oordeelt de rechtbank, en daarmee krijgt de opdrachtgever zo'n Eur. 38.000,= terug.

Maar die vreugde is van korte duur. Als ik het vonnis goed begrijp, was 'de betrokken partij' belast met de begeleiding van de bouw (waarvoor hij dus 10% van de totale bouwsom ontving); en daartoe was er een 'projectrekening' waar de opdrachtgever geld op stortte, zodat de architect via 'betrokken partij' daarmee de aannemers kon betalen. Maar toen die vennootschapfailliet ging , viel het geld op de projectrekening in het faillissement van 'betrokken partij'.

Helaas voor de opdrachtgever, oordeelt de rechtbank dat 'de gedaagde c.s.' niet aansprakelijk gesteld kan worden voor deze situatie. De gekozen constructie droeg nu eenmaal het risico in zich dat geld op de projectrekening nog niet was doorbetaald aan derden; en ook dat het in een eventueel faillissement zou kunnen vallen. Daarmee is de opdrachtgever zijn geld de facto twee keer kwijt, want door het faillissement kregen de aannemers niet betaald en moest de opdrachtgever hen alsnog, rechtstreeks betalen. Hierbij gaat het om meer dan Eur. 300.000,=

En het wordt nog zuurder. De opdrachtgever stelt dat de 'betrokken partij' voor het uitvoeren van de bouwbegeleiding, waarvoor 10% van de bouwkosten in rekening werd gebracht, nog weer iemand anders heeft ingehuurd. De kosten van deze derde, meer dan 20.000,= euro, werden als 'bouwkosten' opgevoerd, waardoor de 'betrokken partij' weer een hogere rekening kon sturen. Helaas voor de opdrachtgever blijkt nu het nut voor de architect als bestuurder van al die vennootschappen.

Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van een vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap, in dit geval de architect. Maar daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De opdrachtgever heeft volgens de rechtbank niet toegelicht op grond waarvan de architect als bestuurder van 'betrokken partij' persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt door het inzetten van die derde en het doorberekenen van de daarmee gepaard gaande kosten. Ook is niet duidelijk of dit inzetten en doorberekenen is toe te schrijven aan de architect anders dan in zijn hoedanigheid van bestuurder van 'betrokken partij'. De architect gaat dus ook hier vrijuit.

Tot slot, voorzover nog niet duidelijk was dat deze architect wel van wanten weet, heeft hij zelfs nog een reconventionele vordering ingesteld: hij beroept zich op zijn auteursrechten voor het ontwerp voor het bijgebouw en eist een vergoeding op grond van inbreuk en schending van zijn persoonlijkheidsrechten. De gevorderde vergoeding wordt begroot op de hoogte van onbetaalde rekeningen (+ Eur. 14.000,=) De opdrachtgever verweert zich door te stellen dat het om een schuur gaat en dat een vennootschap (zoals die van de architect) geen persoonlijkheidsrechten kan claimen, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. De opdrachtgever moet alsnog zijn rekening aan de architect betalen voor het ontwerp.

De conclusie is er eigenlijk vooral één van financiële aard. Het is duidelijk dat er in de bouw regelmatig situaties ontstaan waarbij opdrachtgevers opvallend weinig waar voor hun geld krijgen. De bouwers zijn ervaren en men kijkt niet op een faillissementje meer of minder; de gemiddelde opdrachtgever daarentegen vormt een makkelijk slachtoffer. Wie het zich veroorloven kan, doet er dus goed aan om voorafgaand aan de opdrachtverlening te onderzoeken hoe hij/zij zich kan beschermen tegen de bouwers.

Zie ook deze blogs: over onbetrouwbare dakdekkers, over architecten versus failliete aannemers , en over de nutteloze persoonlijkheidsrechten van een architect bij sloop.

(Vragen, opmerkingen? Mail: erik.devos@kracht-advocatuur.com)

  • Het vonnis wekt de indruk dat het architectenbureau ('betrokken partij') dan weer eens optreedt als architect ('gedaagde') en dan weer eens als bestuurder van een vennootschap die architectenwerkzaamheden verricht ('gedaagde sub 3'); maar dat het in wezen telkens om dezelfde persoon gaat. De rechtbank vat de wederpartij van de opdrachtgever als volgt samen: "[gedaagde] is architect en bouwtechnoloog. Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2] , die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 2] was ook enig aandeelhouder en bestuurder van [betrokken partij] (verder: [betrokken partij] ), welke vennootschap op 26 maart 2013 failliet is verklaard."

Afgebroken onderhandelingen en geschonden vertrouwen

Een telkens terugkerend fenomeen: vanaf welk moment zijn er consequenties verbonden aan onderhandelingen? Dit naar aanleiding van een vonnis van de Rechtbank Rotterdam d.d. 12 april 2017 over afgebroken onderhandelingen nadat een potentiële koper voorbarig was gaan twitteren.

De kwestie: energieproducent Eneco (en aandeelhouder 'Dong') heeft/hebben een energiecentrale in de verkoop. Eneco, ALT en Romar sluiten een ‘Non-circumvention, non-disclosure, confidentiality and working agreement’ (kortweg: de Overeenkomst), met als doel het zoeken door ALT en Romar van een mogelijke koper van de Eneco-centrale. Bij een geslaagde verkoop ontvangen ALT en Romar een fee van 1,5% van de verkoopprijs.

ALT/Romar vinden die koper in het Nigeriaanse '3D Hi Tech'. Er wordt afgesproken dat Eneco een 'Letter of Intent' of 'Memorandum of Understanding' zal opstellen met afspraken en voorwaarden voor een mogelijke verkoop, maar dan gaat het mis. Nog vóór er iets is ondertekend, publiceert 3D HiTech op Twitter een enthousiast bericht over het bezoek van de 'dynamic' vertegenwoordiger van 3D HiTech aan Eneco. De tweet wordt op eerste verzoek van Eneco verwijderd, maar heeft dan al 22 uur online gestaan. Eneco vindt dat de tweet in strijd is met de vertrouwelijkheid die was afgesproken in de Overeenkomst met ALT/Romar, en trekt zich terug uit de onderhandelingen.

Er volgt een rechtszaak, waarin ALT/Romar stellen dat Eneco zich zich zonder goede reden heeft teruggetrokken uit de onderhandelingen met 3D HiTech. Ze vorderen schadevergoeding wegens misgelopen inkomsten. De rechtbank overweegt "dat het beginsel van contractsvrijheid meebrengt dat het een partij in principe vrij staat onderhandelingen af te breken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een partij zich niet meer terugtrekken uit onderhandelingen zonder schadeplichtig te worden. Daarbij kan met name van belang zijn in hoeverre de wederpartij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst."

Volgens de rechtbank was Eneco tegenover ALT/Romar alleen maar verplicht om serieus met 3D HiTech te onderhandelen. Dat heeft ze gedaan. Dat Eneco de onderhandelingen heeft gestaakt is niet te wijten aan willekeur, maar aan het eigen gedrag van de door ALT en Romar aangedragen potentiële koper.

ALT en Romar stellen dat de kortstondige tweet de afbreking van de onderhandelingen niet rechtvaardigde, maar volgens de rechtbank miskennen ze daarbij de eigen afweging die Eneco in de gegeven omstandigheden mocht maken. Omdat ALT/Romar wisten dat de tweet in strijd was met de geheimhouding mochten zij op dat moment niet meer gerechtvaardigd vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst tussen Eneco en 3D HiTech.

Omdat Eneco niet gehouden was tot het voortzetten van de onderhandelingen met 3D HiTech, is er geen basis voor het betalen van een schadevergoeding aan ALT/Romar gerelateerd aan een gemiste ‘successfee’; er is immers geen sprake van een geslaagde verkoop. Bovendien volgt uit de Overeenkomst tussen ALT/Romar en Eneco volgens de rechtbank ook niet dat Eneco überhaupt gehouden was om de centrale te verkopen, noch om gebruik te maken van de bemiddelingsdiensten van ALT/Romar.

Wat valt hiervan te leren? In ieder geval dat 'onderhandelen' niet hetzelfde is als 'afspraken maken'. Er volgt ook uit dat gemaakte afspraken (zoals over geheimhouding) moeten worden nagekomen. En het meest belangrijke: het gebruik van vage onderhandelings-instrumenten, zoals het voornemen om een 'Letter of Intent' op te stellen, leidt niet tot aansprakelijkheid. Toch jammer voor ALT en Romar, want de inzet was € 5.000.000,=

Bollywood-drama: schadeberekening illegale dvd's

In deze bizarre tijden is het verleidelijk om alleen nog maar over politiek te praten. Het leek tenslotte even alsof het einde van de Westerse beschaving nabij was, en daar wil een mens toch iets over zeggen. Nu de soep weliswaar heet blijft, maar toch nog niet hoeft te worden gegeten, is het de hoogste tijd om terug te keren naar de basis: het recht in de praktijk! Daarom in deze blog iets over schadevergoeding.

Aanleiding is een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een inbreukzaak tussen een leverancier van 'Bollywood'-films en een verkoper van illegale kopieën. De kwestie in het kort: de rechthebbende op bepaalde Indiase films leverde dvd's aan twee wederverkopers ('Govinda Videocentre' en 'Govinda Tours', samen 'Govinda c.s.'). Maar Govinda c.s. besloot op enig moment om op de inkoopkosten te besparen en begon illegale (zelf gemaakte?) kopieën te verkopen. Een rechtszaak volgde en de rechtbank oordeelde dat er inderdaad sprake was van inbreuk, maar hoeveel kopieën had Govinda c.s. verkocht, welke inkomsten was de leverancier misgelopen?

Gevolg was een verwijzing naar 'de schadestaat-procedure'; dat is een aparte rechtsgang, waarin partijen hun stellingen over de omvang van de schade -en hoe die te berekenen- moeten toelichten. In IE-procedures komt het niet vaak voor, in 'gewone' aansprakelijkheidszaken is het gebruikelijker: het voordeel van deze procedure is dat al vaststaat dat er onrechtmatig gehandeld is èn wie er verantwoordelijk is voor de schade, zodat die lastige rechtsvragen achter de rug zijn. Het nadeel is dat het mogelijk is dat na langdurig procederen er alsnog geoordeeld wordt dat er nauwelijks schade is geleden. Spoiler alert! Zo verging het ook de eiser in deze zaak.

De gedaagden waren bij vonnis van 2 januari 2013 veroordeeld tot schadevergoeding en/of winstafdracht 'nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet'.  In de schadestaatprocedure vorderde de eiser vervolgens veroordeling van Govinda c.s. tot betaling van een kleine 40.000 Euros.

De eiser kwam op dat bedrag door te kijken naar de gemiddelde verkoop van zijn films (met mooie titels als 'Khoya Khoya Chand', 'Umrao Jaan', en 'Bas ek pal'), en naar de verwachte- en de werkelijke verkoop aan Govinda c.s. Daarbij ging hij uit van een verkoopprijs van € 2,- per DVD en een brutowinstmarge van 67%.

Maar in de beste Agatha Christie-traditie komt er nu in deze blog een addertje onder het gras vandaan, waarvan u het bestaan niet wist, maar schrijver dezes wèl: de veroordeling door de rechtbank had geen betrekking op alle 'Govinda-partijen', maar slechts op één daarvan. Daarmee viel dus al een deel van de vordering weg. En die ene overgebleven partij verweerde zich -kort samengevat- door te zeggen dat dat de cijfers van eiser niet deugden omdat ze -ik parafraseer- deels gebaseerd waren op 'wishful thinking'.

De rechtbank besluit de schade dan maar (beredeneerd) te schatten. Zodoende komt ze tot een schadevergoeding voor de eiser van € 2.307,-. Extra zuur is dat de eiser de proceskosten moet betalen van een partij die hij ten onrechte in het geding had betrokken, à € 1.533,50. Uiteindelijk is de uitkomst dus tamelijk dramatisch: de eiser heeft weliswaar op bijna alle fronten gelijk gekregen, maar hij blijft alsnog met vrijwel lege handen achter.

 

Het gelijk van Donald Trump en Henk Kamp

In het Financieele Dagblad van 12 januari 2017 stond een artikel over minister Henk Kamp (Economische Zaken), die een pleidooi hield voor de ontwikkeling van robotica in Nederland: ‘Met robotica wordt werkgelegenheid behouden.’ En daarnaast een artikel over Donald Trump. Toeval?

Werkgelegenheid is een permanente zorg van democratische staten. De vrees is – kort samengevat – dat de bevolking maar tot een beperkt niveau kan verarmen, c.q. verhongeren, voordat de revolutie uit zal breken. Globalisatie leek het antwoord, maar zolangzamerhand ontstaat de indruk dat die juist tegengesteld is aan het beleid om de bevolking tevreden te houden door werk en inkomen. Het economische model achter ongebreidelde globalisatie deugt namelijk niet, als ik het goed zie.

De gedachte is dat door hindernissen voor internationale handel op te ruimen,  bedrijven toegang krijgen tot een grotere afzetmarkt en ze meer spullen kunnen verkopen. Wie de beste kwaliteit tegen de laagste prijs kan bieden, verdient het meeste geld. Er schuilen echter diverse adders onder het gras. Als volgt.

Om ‘de laagste prijs’ te kunnen bieden, wordt er op arbeidsloon bespaard. Gevolg is dat de productie telkens naar een land met nòg lagere lonen verplaatst zal worden. De hoogte van de lonen komt dus permanent onder druk te staan, want de lonen kunnen altijd verder omlaag.

Er doet zich dan de volgende paradox voor: als fabrieken zich verplaatsen naar een land met lage lonen, wordt de arbeidsbevolking daar (in theorie) welvarender, zodat ze meer kunnen gaan kopen; op die (iets) welvarender markt ontstaat dan meteen prijs-concurrentie; zodat fabrikanten hun productiefaciliteiten willen verplaatsen naar een nog-lager-lonen-land.

Regeringen proberen de rondreizende bedrijven te paaien met lage belastingen, en ook díe kunnen altijd nog wel iets lager. Lage belastingen hebben echter tot gevolg dat de staat verarmt. De armere staat zal moeten bezuinigen, bijvoorbeeld op de sociale infrastructuur.

Om de bevolking tevreden te houden moet de staat nu schulden maken. Bovendien raakt de staat overgeleverd aan bedrijven die de bevolking ten minste nog een baantje tegen een lage vergoeding willen geven. De staat moet dan zorgen voor goede fysieke infrastructuur en sociale stabiliteit; maar omdat de staat en de bevolking verarmen, verslechteren zowel de fysieke als de sociale infrastructuur, zodat bedrijven zullen vragen om lagere belastingen en lagere lonen.

Nadat de lonen zijn verlaagd, en de belastingen voor bedrijven zijn afgeschaft, en de (sociale) infrastructuur is ingestort, volgt dus alsnog opstand. Dat is waar we nu de eerste tekenen van meemaken. Opstand in het Westen betekent vooralsnog: verkiezingswinst voor politici die (i) het volk zeggen dat het de schuld is van de buitenlanders en die (ii) beloven dat ze de goede tijden zullen laten herleven. Enter de nieuwe president van de Verenigde Staten!

Donald Trump wil de infrastructuur verbeteren, belastingen verlagen, en hij wil dat bedrijven zich (opnieuw) in de V.S. vestigen. Gevolg van zulk beleid zal zijn dat òf het minimumloon kariger moet òf de producten van buitenlandse bedrijven duurder moeten worden. Hij heeft aangekondigd voor het laatste te kiezen. Trump kiest dus tegen de globalisering en als Amerikaanse bedrijven daar in meegaan, zou hij inderdaad het lot van de eigen arbeidsbevolking misschien iets kunnen verbeteren. Go, Donald!

Maar ook hierbij ligt een forse adder in het gras te wachten. Er is al op gewezen dat als de V.S. hogere importarieven gaan heffen voor buitenlandse bedrijven, andere landen waarschijnlijk hetzelfde zullen gaan doen voor Amerikaanse bedrijven. De afzetmarkt voor Amerikaanse bedrijven verkleint dus, zodat de lonen omlaag moeten om de winstgevendheid op peil te houden of de winst zal dalen.

Is de enige oplossing voor het voortdenderende globalisatie-circus dan het verlagen van bedrijfswinsten, tarieven-oorlogen, en desondanks lage lonen? Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Enter Henk Kamp! Onze minister van Economische Zaken heeft een oplossing. Hij zet zich in voor de ontwikkeling van robots. Want, zegt hij: “Door robots op een goede manier in te schakelen kunnen we werk houden. Het is wel ander werk. Maar je behoudt alles wat eromheen zit. De productontwikkeling, de verkoop, het onderhoud en de dienstverlening vindt dan wel in je eigen land plaats.”

Ik denk dat zowel Donald Trump als Henk Kamp (vermoedelijk ‘bien étonnées de se trouver ensemble’) gelijk hebben. Trump heeft, wellicht onbedoeld, gelijk als hij bedrijven wil dwingen om het belang van de bevolking mee te wegen óók als dat betekent dat ze minder winst maken. En Henk Kamp heeft gelijk als hij bedoelt dat een land met een goed opgeleide bevolking aantrekkelijke producten kan blijven ontwikkelen en kan uitbaten.

Voor Amerikaanse bedrijven betekent dat: verlaag de productiekosten door productontwikkeling uit te besteden aan kleine, buitenlandse bedrijven. En dat betekent voor Nederlandse bedrijven: ontwikkel producten die niet afhankelijk zijn van de plek waar de fabriek staat – kortom, ontwikkel technologie die beschermd wordt door het Intellectuele Eigendom-recht, zodat er licenties verleend kunnen worden.

Komt dan toch nog alles goed in 2017?